Soms hebben wij van Apie & Larekool ook twijfels over de existentiële vragen van het Bestaan. En denken we dat alles beter was geweest als de creationisten het bij het rechte eind hadden. Dan zou de volledige mensheid uit ribben geschapen zijn. Gegeven het vaststaande feit dat een mens maar een beperkt aantal ribben heeft, en het hoogstwaarschijnlijk vaststaande feit dat niet iedereen de zijne zou willen delen zou de volledige mensheid om en bij de zestig leden tellen en zouden we allemaal broeders zijn.
Jammer van deze mooie theorie, want de creationisten hebben ongelijk en dus ziet de praktijk er helemaal anders uit. Er dwalen om en bij de zeven miljard mensen rond op deze aardkloot, en die zijn echt niet allemaal uit de ribben van hun voorouders geschapen. Na een aantal jaren vertoefd te hebben in de nabijheid van mensen uit alle hoeken en kieren van de planeet lijkt het ons waarschijnlijker dat het overgrote merendeel geschapen is uit de ribben van geiten, schapen, kamelen en dwerg-aardvarkens. Tot zover het evangelie der schepping.
Mensen zijn solidaire wezens. Groepswezens, als het ware. Wezens die ervan houden sociale contacten op te bouwen met soortgelijke wezens en na ingenieuze samenwerking een glorieus rijk weten op te bouwen met torens die tot in de wolken reiken zodat men binnen afzienbare tijd gewoon de roltrap naar de maan kan nemen in plaats van er milieuvervuilende raketten heen te schieten. Opnieuw, de theorie is mooier dan de praktijk.
In werkelijkheid zijn mensen wezens die ervan houden sociale contacten op te bouwen met soortgelijke wezens, waarbij “soortgelijke” niet betekent dat de leden van de andere stam over het algemeen beschikken over twee armen, twee benen en een hoofd (of er tenminste mee geboren zijn), maar dat ze dezelfde tint hebben. In dat opzicht zijn mensen net verfpotten. Lichte kleuren bij lichte kleuren, donkere bij donkere. En niet mengen, want dan krijg je een vieze drabbige brij en niemand wordt gelukkig van de opmerking dat het heel origineel is om de keuken te verven met een mengsel van bedorven chocoladecake en zure melk.
Natuurlijk bestaan er uitzonderingen. Brave mensen die iemand anders betalen om hun keuken te verven en zich niet druk maken om complementaire kleuren in het dagelijks leven. Een kleine minderheid, helaas.
Vele anderen in dit land (ik beperk me even op schandelijke wijze tot het zielige plakje modder dat zich “België” noemt) houden er echter een andere mening op na. Hoewel het merendeel van hen niet bijzonder gelovig is, schijnen ze het toch als een zekere waarheid te beschouwen dat er ooit een God was die hun voorouders op hun stukje aarde heeft neergepoot met de woorden “dit is van jullie en zorg dat je het houdt”. Waarop de nieuwe devoot belijdende gelovigen met ontstellende gedrevenheid de heidenen in hun slotgracht trachten te kieperen, hierbij uiteraard vergetend dat dit plakje modder nog geen tweehonderd jaar bestaat en dat er in de tienduizend jaar daarvoor Neanderthalers, Germanen, Romeinen en talloze anderen gewoond hebben. En dat er in de toekomst allicht Pakistanen, Noren en Eskimo’s zullen wonen en dat dat niemand dan nog een fluit zal kunnen schelen, net zoals het heden ten dage niemand een fluit kan schelen dat de Saxen hier reeds heidenen buiten gooiden voor Jos Ghysen geboren was (net nadat de dieren niet meer spraken).
Wij leren op school over de voorbije Wereldoorlogen, kijken naar de talloze documentaires op televisie en kennen om en bij de driehonderd films over dat onderwerp. En iedere keer vereenzelvigen wij ons vol patriottistische moed met de geallieerde soldaten, grijnzend als onze avatars op het kleine of grote scherm de vuile moffen over de landsgrenzen drijven en net niet juichend ronddansen als de kleine man met de snor uiteindelijk in het stof bijt. Waarna we vergeten dat wij (niet allemaal, maar velen onder ons) geen haar beter zijn. Op kleine schaal, weliswaar, maar Adolf is ook klein begonnen. En dan rijst de vraag over wie de kinderen in de volgende eeuwen zullen leren. Hitler en zijn Duitsers? Of meneer Huppeldepup die bij U in de straat woont (of misschien wel deze tekst leest) en zijn Belgen?
Op dit punt aangekomen merken wij van Apie & Larekool dat we een best ernstig betoog aan het opzetten zijn, net niet op een spreekgestoelte kruipend en “Nein, nein, nein!” schreeuwend, en dat onze fans dat niet van ons gewoon zijn. Omdat wij weten dat zij, onder dreiging van een revolver in de hand van onze eigen Masters in de Terroristische Betrekkingen, niet zomaar zullen afhaken maken wij ons nog niet al te veel zorgen. Maar onze eed van trouw gestand (make nonsense, not sense) gaan we slingeren met het wagentje tot we terug op het min of meer rechte pad zitten dat al talloze verdoemde zielen naar de bodemloze put heeft gelokt voor de jaarlijkse barbecue down under.
Inderdaad, soms lijken de gewoontes van andere mensen vreemd. Sommigen bidden in stilte, met de ogen half gesloten en zacht mompelend in een gebouw met geweldige akoestiek, anderen zingen liedjes over de glorie van het geloof en nog anderen liggen plat voorover in het zand, getormenteerd krijsend met regelmatige adempauzes. Sommige mensen heten Jack of Joe, eten enkel hamburgers en wegen driehonderd kilo terwijl anderen zich bedekken met een laken wat herinneringen kan oproepen aan onze kindertijd, waarin de gruwelijkste spoken op toneel niet meer waren dan dat. Maar het is vreemd en onbekend en daar houden wij niet van. Want om vreemde en onbekende dingen te leren kennen moet je er tijd in steken en er moeite voor doen, en als het dan tegenvalt is alles voor niets geweest en heb je tijd verloren. En tijd verliezen, dat is in de Westerse maatschappij, waar de gemiddelde mens twee jaar van zijn leven in de file doorbrengt en hetgeen hij inademt nog smeriger is dan vissen in de Golf van Mexico, de grootste misdaad van allemaal. Onze tijd behoort toe aan onze stress, die ons geld bezorgt waarmee we méér stress kunnen kopen (wat we dan ook gezellig doen). In die zin is de angst voor het onbekende een soort van zelfbescherming. Misleidend, maar toch.
Aan de ándere kant van de weegschaal wordt tijd gebruikt voor zelfontplooiing. Een droom die velen van ons nastreven, maar weinigen ooit waarmaken. In die zin is de angst voor het onbekende een soort van jaloezie. U ziet het, waarde lezer, er is altijd meer van aan dan het laagje aan de oppervlakte.
Omdat wij er blijkbaar niet in slagen een luchtige toon te kweken (geef toe, Taliban-moppen en anekdotes over de neefjes van de paus zouden hier als een tang op een varken staan) gaan wij hier, bij deze, stante pede, nu, op dit zeer eigenste moment een einde breien aan dit artikel.
U hebt alvast één geruststelling: Apie & Larekool leeft weer. En vanaf hier kan het alleen maar beter worden. Dus heeft U zin in meer onzin? Stay tuned, en een dezer dagen zal er een potsierlijk en volstrekt belachelijk artikel verschijnen over, ik zeg maar wat, melaatsen en seks. Wie kaatst mag de bal verwachten, ik weet het, maar zolang er geen extra ledematen aan vast zitten zie ik de bal graag terugkomen. Wij groeten U!