Xenofobie voor dummies

Soms hebben wij van Apie & Larekool ook twijfels over de existentiële vragen van het Bestaan. En denken we dat alles beter was geweest als de creationisten het bij het rechte eind hadden. Dan zou de volledige mensheid uit ribben geschapen zijn. Gegeven het vaststaande feit dat een mens maar een beperkt aantal ribben heeft, en het hoogstwaarschijnlijk vaststaande feit dat niet iedereen de zijne zou willen delen zou de volledige mensheid om en bij de zestig leden tellen en zouden we allemaal broeders zijn.

Jammer van deze mooie theorie, want de creationisten hebben ongelijk en dus ziet de praktijk er helemaal anders uit. Er dwalen om en bij de zeven miljard mensen rond op deze aardkloot, en die zijn echt niet allemaal uit de ribben van hun voorouders geschapen. Na een aantal jaren vertoefd te hebben in de nabijheid van mensen uit alle hoeken en kieren van de planeet lijkt het ons waarschijnlijker dat het overgrote merendeel geschapen is uit de ribben van geiten, schapen, kamelen en dwerg-aardvarkens. Tot zover het evangelie der schepping.
Mensen zijn solidaire wezens. Groepswezens, als het ware. Wezens die ervan houden sociale contacten op te bouwen met soortgelijke wezens en na ingenieuze samenwerking een glorieus rijk weten op te bouwen met torens die tot in de wolken reiken zodat men binnen afzienbare tijd gewoon de roltrap naar de maan kan nemen in plaats van er milieuvervuilende raketten heen te schieten. Opnieuw, de theorie is mooier dan de praktijk.

In werkelijkheid zijn mensen wezens die ervan houden sociale contacten op te bouwen met soortgelijke wezens, waarbij “soortgelijke” niet betekent dat de leden van de andere stam over het algemeen beschikken over twee armen, twee benen en een hoofd (of er tenminste mee geboren zijn), maar dat ze dezelfde tint hebben. In dat opzicht zijn mensen net verfpotten. Lichte kleuren bij lichte kleuren, donkere bij donkere. En niet mengen, want dan krijg je een vieze drabbige brij en niemand wordt gelukkig van de opmerking dat het heel origineel is om de keuken te verven met een mengsel van bedorven chocoladecake en zure melk.
Natuurlijk bestaan er uitzonderingen. Brave mensen die iemand anders betalen om hun keuken te verven en zich niet druk maken om complementaire kleuren in het dagelijks leven. Een kleine minderheid, helaas.

Vele anderen in dit land (ik beperk me even op schandelijke wijze tot het zielige plakje modder dat zich “België” noemt) houden er echter een andere mening op na. Hoewel het merendeel van hen niet bijzonder gelovig is, schijnen ze het toch als een zekere waarheid te beschouwen dat er ooit een God was die hun voorouders op hun stukje aarde heeft neergepoot met de woorden “dit is van jullie en zorg dat je het houdt”. Waarop de nieuwe devoot belijdende gelovigen met ontstellende gedrevenheid de heidenen in hun slotgracht trachten te kieperen, hierbij uiteraard vergetend dat dit plakje modder nog geen tweehonderd jaar bestaat en dat er in de tienduizend jaar daarvoor Neanderthalers, Germanen, Romeinen en talloze anderen gewoond hebben. En dat er in de toekomst allicht Pakistanen, Noren en Eskimo’s zullen wonen en dat dat niemand dan nog een fluit zal kunnen schelen, net zoals het heden ten dage niemand een fluit kan schelen dat de Saxen hier reeds heidenen buiten gooiden voor Jos Ghysen geboren was (net nadat de dieren niet meer spraken).

Wij leren op school over de voorbije Wereldoorlogen, kijken naar de talloze documentaires op televisie en kennen om en bij de driehonderd films over dat onderwerp. En iedere keer vereenzelvigen wij ons vol patriottistische moed met de geallieerde soldaten, grijnzend als onze avatars op het kleine of grote scherm de vuile moffen over de landsgrenzen drijven en net niet juichend ronddansen als de kleine man met de snor uiteindelijk in het stof bijt. Waarna we vergeten dat wij (niet allemaal, maar velen onder ons) geen haar beter zijn. Op kleine schaal, weliswaar, maar Adolf is ook klein begonnen. En dan rijst de vraag over wie de kinderen in de volgende eeuwen zullen leren. Hitler en zijn Duitsers? Of meneer Huppeldepup die bij U in de straat woont (of misschien wel deze tekst leest) en zijn Belgen?

Op dit punt aangekomen merken wij van Apie & Larekool dat we een best ernstig betoog aan het opzetten zijn, net niet op een spreekgestoelte kruipend en “Nein, nein, nein!” schreeuwend, en dat onze fans dat niet van ons gewoon zijn. Omdat wij weten dat zij, onder dreiging van een revolver in de hand van onze eigen Masters in de Terroristische Betrekkingen, niet zomaar zullen afhaken maken wij ons nog niet al te veel zorgen. Maar onze eed van trouw gestand (make nonsense, not sense) gaan we slingeren met het wagentje tot we terug op het min of meer rechte pad zitten dat al talloze verdoemde zielen naar de bodemloze put heeft gelokt voor de jaarlijkse barbecue down under.

Inderdaad, soms lijken de gewoontes van andere mensen vreemd. Sommigen bidden in stilte, met de ogen half gesloten en zacht mompelend in een gebouw met geweldige akoestiek, anderen zingen liedjes over de glorie van het geloof en nog anderen liggen plat voorover in het zand, getormenteerd krijsend met regelmatige adempauzes. Sommige mensen heten Jack of Joe, eten enkel hamburgers en wegen driehonderd kilo terwijl anderen zich bedekken met een laken wat herinneringen kan oproepen aan onze kindertijd, waarin de gruwelijkste spoken op toneel niet meer waren dan dat. Maar het is vreemd en onbekend en daar houden wij niet van. Want om vreemde en onbekende dingen te leren kennen moet je er tijd in steken en er moeite voor doen, en als het dan tegenvalt is alles voor niets geweest en heb je tijd verloren. En tijd verliezen, dat is in de Westerse maatschappij, waar de gemiddelde mens twee jaar van zijn leven in de file doorbrengt en hetgeen hij inademt nog smeriger is dan vissen in de Golf van Mexico, de grootste misdaad van allemaal. Onze tijd behoort toe aan onze stress, die ons geld bezorgt waarmee we méér stress kunnen kopen (wat we dan ook gezellig doen). In die zin is de angst voor het onbekende een soort van zelfbescherming. Misleidend, maar toch.
Aan de ándere kant van de weegschaal wordt tijd gebruikt voor zelfontplooiing. Een droom die velen van ons nastreven, maar weinigen ooit waarmaken. In die zin is de angst voor het onbekende een soort van jaloezie. U ziet het, waarde lezer, er is altijd meer van aan dan het laagje aan de oppervlakte.

Omdat wij er blijkbaar niet in slagen een luchtige toon te kweken (geef toe, Taliban-moppen en anekdotes over de neefjes van de paus zouden hier als een tang op een varken staan) gaan wij hier, bij deze, stante pede, nu, op dit zeer eigenste moment een einde breien aan dit artikel.

U hebt alvast één geruststelling: Apie & Larekool leeft weer. En vanaf hier kan het alleen maar beter worden. Dus heeft U zin in meer onzin? Stay tuned, en een dezer dagen zal er een potsierlijk en volstrekt belachelijk artikel verschijnen over, ik zeg maar wat, melaatsen en seks. Wie kaatst mag de bal verwachten, ik weet het, maar zolang er geen extra ledematen aan vast zitten zie ik de bal graag terugkomen. Wij groeten U!

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De Koe

Het gras is vochtig, bedekt met een dun laagje ochtendnevel en een paar druppels dauw. Daar, in de schaduw van de trog, groeit het hoog en dik. Loei. Hap. Kauw. Herkauw.
Laat ons de wereld beschouwen vanuit het standpunt van een koe. Het gras is mals en fris, dus zijn de koeien tevreden. Koel water kabbelt net onder de rand van de trog, dus zijn de koeien tevreden. En hoewel het stuk land onder hun hoeven modderig en vuil is, is er nog gras in overvloed in de uitgestrekte weiden. Dus zijn de koeien tevreden. Koeien zijn vlug tevreden. Een kalfshoef is gauw gevuld.
Het leven van de gemiddelde koe is slaapverwekkend eenvoudig. Hun politieke structuur is erop gebaseerd zoveel mogelijk te presteren met zo weinig mogelijk actieve hersencellen. We bestuderen de volkshiërarchie volgens het piramidemodel. De basis wordt gevormd door koeien. Aan de top staan er koeien. Het middenkader wordt door koeien gevuld. De stier staat een beetje buiten de piramide, een categorie apart in de samenleving. Binnen de hiërarchie als geheel is hij de eigenlijke politicus. Afgetekend tegen het verblindende licht van de ondergaande zon doet hij mooie beloftes aan het smachtende volk. Degenen die voor hem kiezen worden besprongen, gebruikt en afgedankt. Maar koeien hoort men niet klagen. Geen witte mars voor de koe. Geen beschilderde bordjes en vuurkorven op de stoep van de stal. Geen dreigementen om volgend seizoen voor een ander te kiezen. De ander krijgt zijn beurt toch wel. Het politieke systeem van de koe is grensoverschrijdend.
Kalveren hebben geen stemrecht. Een bekend tafereel, lijkt me. Eenmaal de juiste leeftijd bereikt verwerven ze het recht tot kiezen en gekozen worden. Tot die vreugdevolle dag moeten ze zich maar zien te redden.
Men kan hier reeds opmerken dat de sociologische wereld van de koe gelijkenissen vertoond met deze van de gemiddelde mens. De kudde kan in dezen als een samenleving worden beschouwd.
De man stelt zorgt voor een gezond nageslacht en stelt op die manier het voortbestaan van zijn superieure genen veilig. Jagen behoort niet tot zijn taak. Jagen is onnodig. Gras leent zich niet tot besluipen. Ondanks het recht op genot is de vrouw de baas. Zij wikt, weegt en bepaalt de keuzes. De man ligt onder de hoef. Klinkt bekend? Asjemenou.
De jongen blijven in de buurt van de moeder. Van haar leren ze de belangrijke dingen des levens. Eet je gras op! Wacht op je beurt aan de trog! Op tijd je stro in! En droom maar van een land vol gras en water, en een stal met hopen vers stro om je voor de regen te verschuilen. Koeien zijn zelfs op aarde al in de hemel. De koe werkt niet, betaalt geen belastingen. De koe kaapt geen vliegtuigen, overvalt geen banken. De koe maalt niet om milieuwetten, het gat in de ozonlaag, de smeltende gletsjers in het noorden. Wat is dat trouwens, een gletsjer? Geen koe die het je zal vertellen.
De ouden van dagen slapen wat meer en eten wat trager dan de jongere generaties. Geen probleem. Je krijgt wat meer tijd aan de trog. Koeien zijn geduldig, ook waar het de vergrijzing betreft. Is er soms geen gras genoeg in deze weide?
Koeien hebben zo hun eigen idee over religie. Moet er nog loei zijn? Meuh. Alsjeblieft. Het Beloofde Land is niet aan de koeien beloofd. Maar hen hoor je er niet over klagen. Een koe zou je geen plezier doen met een onbezorgd verblijf in het Land van Melk en Honing. Wat zou een koe daar betekenen? Minder dan niets, want er is melk in overvloed. En die vieze, plakkerige honing… Kan er geen gras uit de fonteinen stromen? In de tuinen van Allah zouden ze wel op hun plaats zijn. Veel gras, zo’n tuin.
En met een beetje geluk is het net zo mals en sappig als in onze weide. Alleen die maagden, daar zitten ze wat mee. Kunnen die niet opgesloten worden? Koeien zijn goddelijke dieren. Boeddha wist het al, en hij was zo slim het op te schrijven en te verspreiden. Eindelijk erkenning!
Wee het wezen dat de hand slaat aan een Koe, want Zij zal het nietige creatuur vernietigen in een vurige bliksemschicht. Waarna Zij zich koninklijk op Haar andere zijde zal draaien. En een beetje gras zal herkauwen.
Daag een koe voor de rechtbank, en U zult verliezen. Vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht. Tegen ‘meuh’ kan niemand wat inbrengen. En hoewel je het niet zou zeggen, zijn koeien wraakzuchtige schepsels. Je kan er maar beter met een boogje omheen lopen.
Koeien bakken de beste taarten van de wereld. Of toch de snelste, dat staat buiten kijf. En helemaal zoals het hoort: knapperig van buiten en mals van binnen. Iedere bakker zou een koe moeten tewerkstellen. Hun patisserie heeft een zeer typerende geur. Laat ons experimenteren. Men neme twee lege dozen, en men steke in de ene doos een koeienbaksel. Herhaal dit experiment door het koeiengebak te vervangen door een chocoladetaart. Iedereen zal ogenblikkelijk weten in welke doos de koeientaart schuilt. Over het gewrocht van de bakker kan getwijfeld worden.
De koe is overal. Ze staart je aan vanaf ieder prikbord, in elke supermarkt en door het raam van een voorbijrijdende trein. Uit ons leven is de koe niet meer weg te denken. De koe daarentegen zou ons niet missen. Wij kunnen niet meer zonder haar. De koe biedt ons zekerheid, werkgelegenheid, verse melk en malse steak. Waar zouden wij zijn zonder de koe? Het antwoord is: nergens! Het antwoord is: niets! Als onze voorouders de koe niet gedomesticeerd hadden, zou ze ons onder de voet hebben gelopen. De koe zou heersen over de wereld. En geef toe; zoveel verschil had het echt niet gemaakt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

U vraagt, wij draaien

Hier zijn we dan, terug van nooit echt weggeweest. In de afwezige maanden is er veel gebeurd, maar niet zoveel veranderd. Er is een beetje viezigheid toegevoegd aan het zeewater, BHV is nog steeds niet gesplitst, de Rode Duivels hebben het WK niet gewonnen, de Oranje Kaaskoppen ook niet, de federale politiek kwakkelt lustig voort en de Verenigde Staten worden nog steeds geleid door iemand die geen steunkaarten koopt van de KKK.
Intussen is het wel weer tijd voor iets waar velen onder ons lang op hebben moeten wachten: de festivalzomer!

In zowel de afgelopen als de komende weken was/is er extra veel gekrioel tussen een aantal vaste punten op de kaart. Duizenden ongewassen voeten begeven zich op bevel van hun eigenaars van die tent naar dat podium, en achteraf naar de camping, een aparte weide die het uitzicht heeft van een inderhaast opgebouwd surrogaatdorp na een tsunami of aardbeving. Sommige mensen bevinden zich omwille van een combinatie van factoren die tot onomkeerbare bewusteloosheid leiden voor het grootste deel van hun tijd in dit voddenkamp. Het leeuwendeel van de bezoekers heeft echter iets heel anders voor ogen. Zij zijn gekomen met een reden, een doel. Zij zijn gekomen voor de muziek.

En wat is dat nu, muziek? Een breed te interpreteren vraag die veelal subjectieve antwoorden trekt. Voor de een gaat het om afgeleefde langharige vogelverschrikkers die al zingend anaal verkracht worden met een roestige hark, en voor de ander om een stel achterlijke bospygmeeën met een microfoon die bospygmee-gewijs geen gevoel hebben voor taalkunde en nog minder voor harmonie. Om alles wat helderder te zien, moeten we eigenlijk teruggaan naar Het Begin.

Dat begrip heeft zijn hoofdletters verdiend. Als we iets fatsoenlijk willen begrijpen, moeten we er altijd naar terugkeren. Back to basics, als het ware.
Even tussendoor een kleine nuance voor de mierenneukers, kommaneukers, geiteneukers, schapeneukers, taalpuristen en leerkrachten Godsdienst dan wel Geschiedenis: we gaan natuurlijk niet helemaal terug naar het begin waarin er alleen zeewater en land was, en ook niet naar dat begin waarin er alleen eencellige organismen bestonden die nog minder muzikaal waren dan een meermaals door de bliksem getroffen boomstronk.
Wij gaan terug naar het moment waarop een der eerste mensachtigen een stok, steen, bot of afgescheurd ledemaat greep en daarmee puur toevallig op een muzikaal oppervlak trommelde. Laat ons als voorbeeld een holle boomstam nemen, om Uw verbeeldingsvermogen niet al te veel op de proef te stellen.
Aangezien de aapmens al wel gewend was aan wat onweer zal hij wel niet al te erg geschrokken zijn van het geluid dat hij produceerde.
Misschien dat hij er een grazend beest mee op de vlucht joeg, waardoor de jachtgroep zonder eten thuiskwam en onze trommelaar gelyncht werd wegens Onopzettelijke Poging Tot Verhongering (het rechtssysteem was toen nog ongecompliceerd), maar misschien was de savanne wel volledig verstoken van grazende beesten en joeg hij er een gevaarlijke vleeseter mee weg of vonden de eventuele aanwezigen het gewoon mooi.
Op dat moment, zou men kunnen stellen, en los van wat er gebeurde na het eerste nummer ontstond de eerste band ter wereld. Over de naam gaan wij wegens gebrek aan historisch bewijs geen uitspraken doen, maar waarschijnlijk zal het iets in de aard van ‘Grmgf’ geweest zijn. Had deze muzikant avant la lettre geweten wat zijn nalatenschap zou aanrichten, hij had zijn harige oren niet geloofd.

Wij kunnen gerust aannemen dat niet lang na het per ongeluk ontdekken van het principe “muziek maken”, deze nieuwe bezigheid een grote aanhang kreeg. Omdat onze voorouders niet goed wisten wat ze met dat lawaai aanmoesten werd het al gauw aangewend voor ceremoniële gelegenheden. Muziek was het ideale middel om de Goden te plezieren. Het was nieuw, maakte meer (en vooral langer) geluid dan een geslacht offerdier, kon overal gemaakt worden en de instrumenten brandden goed in de winter. Dit gebruik drukte zijn stempel op de mens, want in de eeuwen daarna bleef muziek voornamelijk een toevoeging aan grootschalige en kleine plechtigheden. Tot de vernuftige Grieken, die al hun artistiek talent hadden opgebruikt aan gebouwen en niets meer hadden overgelaten voor hun kleding, in een reeks van creatieve uitbarstingen een hele resem instrumenten uitvonden én erop leerden spelen. Vanaf dat moment kreeg de muziek ook amusementswaarde. De toneelspelen, alwaar menigeen bij gebrek aan televisie zich naartoe begaf, kregen een huisorkest en een achtergrondkoor, en de zangers kregen maskers op stokjes zodat het publiek niet kon zien wie al die valse noten uit zijn botten sloeg.
Zoals dat met veel dingen ging, ging de Griekse tijd op dit vlak min of meer naadloos over met de Romeinse. Hun muziek, die de mensen overal volgde, veroverde de wereld. De barbaren (wij dus) waartegen de -iussen optrokken waren niet zo muzikaal aangelegd, en moeten toch wel een beetje nieuwsgierig zijn geweest naar deze speciale klanken.
Waren ze er al een beetje curieus naar, de Oostelijke volkeren waren dit niet. Zij kenden een ander muziekinstrument, een verre voorouder van de intussen alombekende vuvuzela, en vonden dat veel leuker en mooier dan die Griekse tokkelmuziek. Deze mensen vonden het begrip van de vrije concurrentie uit. Voor het eerst splitste de muziek zich op in stijlen, in genres, een evolutie die zich exponentieel voort zou zetten in de komende tijden. In de oorlogen die zich afspeelden kort nadat meerdere mensen de betekenis van ‘doodconcurreren’ leerden werden velen gewurgd met gedeeltelijk ontsnaarde bouzouki’s en verkenden de oer-vuvuzela’s menig darmkanaal (een trend die, zo vertellen de kranten, nog steeds bestaat).

Zonet zijn we getuige geweest van het ontstaan, en uiteindelijk mogelijk vermengen, van meerdere muzieksoorten. Maar hoe komt het dat dit tegenwoordig allemaal zo uit de hand is gelopen?
Wel, daarvoor moeten wij ons even tot de Middeleeuwen wenden. De eeuwen waarin muziek, onder het motto “doe eens iets geks”, te pas en te onpas opdook.
Een bepaald concept was de tamboerijn. Iedereen kent wel de tamboerijn, zo’n houten cirkel met ringetjes aan en een vel erover gespannen, waarbij men spontaan van ‘hohoho, merry christmas’ gaat als iemand erop begint te spelen. Allemaal goed en wel, maar de middeleeuwers waren er niet tevreden mee. Misschien dat ooit een tamboerijnspeler een polsblessure opliep, of met een verdikking in de maag werd aangetroffen na een echtelijke ruzie, maar iemand bedacht dit waterdicht plan: Zoek een dwerg. Vind een dwerg. Zet hem een muts met bellen op. Laat hem dansen op straffe des doods. Proficiat, Uw nieuwe Ikea-tamboerijn is af.
En die arme melaatsen, geef die mensen een muziekinstrument dat je gemakkelijk kan spelen als je nog maar twee halve vingers aan iedere hand hebt. Een ratel, dus, zodat ze op feestdagen nog gezellig mee konden doen met het sfeerorkestje op het dorpsplein. En als we op het oorlogspad zijn, zingen we vrolijke liedjes om de moed erin te houden. Bovendien is je hoofd gevuld met vrolijke gedachten op het moment dat het eraf gaat, en dat staat altijd beter op de begrafenis.
Deze laatste traditie is er eentje die de Tand des Tijds overleeft heeft. De toepassingen op melaatsen en dwergen zijn onder het stof verdwenen, omdat er op een bepaald tijdstip medicijnen respectievelijk mensenrechten uitgevonden werden.
Maar andere maffe ideeën hebben het dan weer wel gehaald. Samen met de talloze genres die er sinsdien zijn bijgekomen vormt dit de bizarre mix die wij vandaag kennen, en dus het bij benadering correcte antwoord op de vraag waarmee dit alles begon.

Aldus, wanneer U zich een volgende keer overmatig alcohol consumerend, veelvuldig flatulerend en aids bij onbekende zatladders injecterend op een festivalweide bevindt zal Uw geest alvast door één zwaarwichtig vraagstuk minder geplaagd worden.
En indien U deze tekst even vanbuiten leert (het copyright denkt U er maar bij) zit het standaardantwoord alvast in Uw zak als iemand U ooit wenst uit te vragen in verband met muziek, en wat dat eigenlijk is.
Niet bij nadenken. Gewoon doen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Alleen op zon- en feestdagen

Mogelijk heeft U op een van de voorbije dagen bezoek gehad van een superbontmantel in spe met een eisprong om ‘U’ tegen te zeggen, op de voet gevolgd door een stel losgeslagen gevleugelde klokken met de attitude van een bommenwerper in Afghanistan.
Inderdaad; Pasen is weer in het land. De Gouden Tijd voor chocoladeknabbelaars en eierboeren van overal, en een drukke agenda voor tandartsen op langere termijn.

Onze Westerse cultuur bulkt van de feestdagen. Pasen is nog niet voorbij of we krijgen, per 1 mei, de Dag van de Arbeid op ons bord. Een leuke feestdag waarop er, ironisch genoeg, niet ge-arbeid wordt. Het moet waar zijn wat ze in vroeger dagen plachten te verkondigen: Arbeit Macht Frei.
Mei en juni zijn overigens ook de maanden van de minder officiële, maar daarom niet minder gevierde vader-en moederdagen, een soort van tweede verjaardag die U toegewezen krijgt vanaf het moment dat Uw nageslacht op de wereld wordt gezet.
Ook zijn daar nog het Heer Hemelvaart- en Pinksterweekend, twee oud-katholieke feestdagen waarvan de mensen jonger dan vijftig het praktisch nut al lang verschoven hebben van “religieus feest” naar “extra dagje vrij”.

Iets dat opvalt wanneer we de feestelijke periodes onder de loep nemen, is dat er altijd een heel lange periode zonder feestelijkheden is, en dat er dan weer een heleboel vieringen op elkaar zijn gepropt. Zonet zijn de feestdagen rond de lente-zomerperiode opgesomd, waarna het weer stil is tot in de winter. Geheel alleen zit daar nog ergens de Nationale Feestdag tussen:
een 24-uurs periode waarin de bevolking van het lapje grond dat België heet kan laten zien hoe trots ze zijn op hun fantastische land en de grootsheid van de natie kunnen verheerlijken. Het is maar al te goed dat dit artikel getypt wordt, want ik had het niet kunnen zeggen zonder de slappe lach te krijgen. 21 juli is de feestdag van de Grootste Grap uit de Geschiedenis.
En dan is er alleen nog maar de zomervakantie, voor de studenten (met uitzondering van enkele weken in augustus) en de leerkrachten onder ons een aaneenrijging van feestdagen om een lange periode van frustraties eens goed te verwerken.

De feesten blijven echter niet uit roulatie. De zomer gaat voorbij, de herfst komt. De winter komt, brengt de koude met zich mee, maar opent ook het uitzicht op nieuwe feestelijkheden.
O, kom er eens kijken want hoor wie klopt daar, kind’ren? De knecht staat te lachen, terwijl zijn baas zich vloekend door de schoorsteen wurmt: zeer juist, het is die goeie ouwe Sint Nicolaas. Een baardige neo-kolonist met een heel gevolg aan zwarte slaven die zich onverbeterlijk travestie-gewijs in een rode jurk op de daken van de huizen begeeft en Indiana Jones-gewijs zelfs binnen geraakt door een half dichtgemetselde betonnen pijp die is aangesloten op de verwarmingsketel.
Allemaal om op tafel geconfronteerd te worden met een glas water en een wortel. Je zou er moedeloos van worden. De waslijst aan speelgoedboekjesknipsels en neergepende wensen wordt zorgvuldig doorgelezen en, na de naam van de wenser te hebben opgezocht in het Grote Boek der Brave Kinderen, voldaan.
Kinderen die het niet tot de pagina’s van het Alwetende Boek hebben gebracht, worden geconfronteerd met een grote afrikaan in een kleurige pofbroek die hen in een jutezak stopt en afranselt met een eind hout. Erkende opvoedingsmethode uit het begin van vorige eeuw. Oude waarden die nooit verloren gaan. De Sint is educatief verantwoord.

Sinterklaas is nog niet teruggekeerd naar zijn riante 18de-eeuwse villa met zwembad, golfterrein en walvisvijver in het zuiden van Spanje, of nummer twee staat al weer aan de deur. Mensen die ooit languit in de zetel van Laurel & Hardy genoten kunnen zich wel wat voorstellen bij het duo Sinterklaas & Kerstman. De lange magere en de kleinere dikke. Zorgvuldig gestript van kostuum en bolhoed en even zorgvuldig voorzien van pluizige Gandalf-baard en respectievelijk rode mijter/rood mutsje. Hoe versie 2 door de schoorsteen komt waar versie 1 het al moeilijk mee heeft, blijft ons een raadsel. Feit is, echter, dat wanneer hij zich eindelijk uit het rookkanaal heeft gefrommeld, hij niet eens een glas water maar wel een grote naaldboom met slingers kan verrassen. Waaronder, Sinterklaas-gewijs, cadeautjes moeten worden gelegd, zonder hierbij rekening te houden met het braafheidsgehalte van de uiteindelijke ontvangers.

Feestdagfiguur zijn was nooit een makkelijke job. En goed betalen doet het ook al niet, maar men is vrijgesteld van vervolging voor inbraak en occasionele diefstal, tewerkstelling van onderbetaalde bosjesmannen en terhemelstijging.
Denk erom, kinderen: wees braaf (lees: stay tuned), want anders wordt U op een kille decemberavond doodgeknuppeld door een geheimzinnige man die in & out het huis is via de centrale verwarming. U weze gewaarschuwd.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Van bizonvel tot belspeldel

Wat begon als een artikeltje over muziek door de eeuwen heen veranderde al snel in een artikeltje over mode door dezelfde eeuwen heen. De eenvoudige en zeer ware reden is dat ik geen moderne muziekcomputertechnische termen ken die rijmen op bizonvel en het dus over een andere boeg moest gooien. Wees echter niet ongerust, beatslikkers, blueskickers en schlagerflikkers, als ik een keer in een minder rijmelarij-achtige mood ben zal er hier zeker wat verteld worden over holbewonermuziek, wasbordjazz en electronicashizzle.

Maar nu, dus, kleding.
Modieus of niet, de mens heeft altijd de behoefte gehad om zichzelf te bedekken. Zelfs toen wij nog (onafhankelijk van geslacht, voor de little dirty minds) staarten hadden, in bomen klommen en van prehistorische bananensoorten leefden bedekten wij onszelf. Met pluizige vacht. Niet lang daarna brak, als we stellen dat succes groter wordt naarmate iets langer gedragen wordt, de tijd van het allerbeste design tot nu toe aan.
De mensachtigen kwamen uit de bomen, verloren hun staarten, schaamden zich daar mogelijk dood om en gingen op zoek naar dingen waarmee ze de zielige stompjes die overbleven konden verbergen. Op dat moment wist de grote trendsetter, wiens naam verloren is gegaan tussen de fossielen van de steentijd, nog niet dat zijn kleding verscheidene duizenden jaren mee zou gaan, laat staan dat ze zou figureren in bewegende films op een groot scherm. Bizonvel, hertenvel, berenvel, … Mantels en de voorlopers van jurkjes en smokings van mammoethuid. De oermens was een modieus genie.

Als ze hadden gezien hoe het hun nageslacht zou vergaan, na verspreiding over de wereld, zou overovergrootpapa zich omdraaien in zijn lawine. De Grieken waren geweldige bouwmeesters, maar ze hadden geen smaak waar het hun kleren betrof (hoor mij eens bezig). Mannen: jurken; vrouwen: jurken; kinderen: jurken; slaven: jurken; koningen: jurken, iedereen gelijk voor de wet, maar dan wel op een smakeloze manier. Een van de weinige dingen waarover men naar eer en geweten kan stellen dat het er sinds de prehistorie op achteruit ging. Aan de andere kant van de wereld hetzelfde verhaal: de Egyptenaren konden leuke dingen bouwen in hun zandbak, maar de rokjes en lendendoeken getuigden niet van een doorgetrokken meesterschap. Het zou nog duren tot de middeleeuwen voor er een beetje modieus bewustzijn kwam.

En dan zijn ze er, de middeleeuwen. Ergens tussen de oude Grieken en dit zitten ook nog de Romeinen, die alle goede gewoontes van hun voorgangers overnamen en daar de kleren helaas bij rekenden en de Kelten, die we gemakshalve vergeten omdat ze gewoon geen kleren droegen, een vermoedelijk teruggrijpen naar de goede oude tijd.
Maar: de middeleeuwen, het tijdperk waarin de lange sleep opduikt, de gewaagde combinaties, de uitdrukking “dat zit je als gegoten” en de broeken met een gat achteraan om gemakkelijk op het land te kunnen ka om van de frisse bries te kunnen genieten.
Voor het eerst in lange tijd kon men zien of men op straat achter een man of een vrouw aan liep. En verder bezigden de kleermakers in alle drukte kleuren, bont, zijde en katoen, punthoeden en mutsjes en allerlei afgewerkte tierlantijntjes.
Uiteindelijk bleven, in de kaste van de slechtgekleden, enkel de ridders over, die niet zozeer over smakeloze dan wel onpraktische garderobes beschikten. Geen ridder die even langs de straat kon stoppen als de nood hoog was en het water hem aan de lippen stond, of hij moest een engelse sleutel en een gasbrander in zijn rugzak hebben. En als hij in de winter op een bevroren plasje stapt en onderuit gaat zijn een krik en een bordje met “help me omhoog, aub” ook geen overbodige luxe. Gaan zwemmen (crawl, schoolslag, baksteenslag) zat er niet in, evenmin als een bezoekje aan de Finse sauna (‘Nieuw! Ridder gekookt in eigen nat!’) of een verkwikkende massage (‘zijt ge nu nog niet begonnen?’/’maar jawel, ik ben al een uur bezig!’).
Als tussentijdse conclusie kunnen we zeker stellen dat het leven van de aangeklede mens maar lastig is.

De middeleeuwen drukten hun stempel op de wereld van de lichaamsbedekking, en dat bleef voelbaar tot in een heleboel eeuwen daarna. Uiteindelijk zou het tot de 17de/18de eeuw duren voor er nog eens verandering kwam in het stoffen aangezicht van de wereld. En wat voor een! De 17de en 18de eeuw kunnen betiteld worden als de clowneske periode in de tijdslijn van de kleermakersschaar.
Chique dames konden op hun hoepelrok niet alleen een volledige maaltijd voor zesendertig personen voorbereiden, ze konden er ook op opdienen. Dankzij de introductie van het korset hadden deze dames niet zozeer de vorm van een peer, als wel die van een bal aan een touwtje. In de zomermaanden, wanneer de gele vuurbal aan de hemel stond en de regen in geen velden of wegen te bekennen was, droegen ze parapluutjes waarmee ze achter allerlei dingen bleven haken. En als de herfst en de vochtige dagen terugkwamen gingen de parapluutjes de kast in en kwamen de hoedjes tevoorschijn, die voornamelijk wegwaaiden en heel wat gehol en gestruikel veroorzaakten. Dameskledij was in die dagen een eerder zielige voorloper van de slapstick-humor.
Herenkledij veroorzaakte dan wel geen genante ongelukjes, maar was op zich al gewoon genant om mee op straat te komen. De mannen droegen een soort van gestreepte pyjama met een hoge hoed, een kromme wandelstok waar later jazzdansjes mee gehouden werden en een lange jas met een zwaluwstaart in een split tot aan de nek. Het was een tijd van excentriekelingen, van foute feestjes die niet bedoeld waren als foute feestjes en van wintermantels waar je een orkest in kon verstoppen.
Een adempauze in de strijd naar de perfectie, zeg maar.

En even plots als het begonnen was, was het ook weer gedaan. Na de industriële revolutie en het begin van de machinale kledingproductie werd de eenheidsworst, de One Size Fits All en de massamode in de wereld geworpen. Dit veroorzaakte een dermate grote schok in de psyche van de kledingindustrie dat de volledige geschiedenis van de garderobe zich in de afgelopen twee eeuwen nog eens herhaalde.
Eerst was er de eenvoudige machinale kleding, die het langst werd gedragen en wel door (bijna) iedereen. Vervolgens kwamen de middeleeuwen terug, zelfs twee keer, onder aanvoering van de kleine man met de snor. En heden ten dage, op het moment dat ik aan mijn bureau zit te werken en het einde van de geschiedenis tot nog toe in zicht komt, zitten we terug in het clowneske. Laatst zag ik op catwalkfoto’s in de krant een of andere show van een grote ontwerper (wij noemen geen namen om de schadeclaims te ontwijken) waarbij de modellen lappen stof droegen van twaalf verschillende kleuren, bedekt met uitspringende stukjes ijzerdraad waarop bollen stof bevestigd waren en een prachtig hoofddeksel dat nog het meest leek op een met touwtjes bij elkaar gehouden kartonnen doos, die zo groot was dat je het waarschijnlijk benauwd zou krijgen in smalle straatjes. De eerste mens die ermee buiten de deur komt, wordt waarschijnlijk officieel tot marsman uitgeroepen.
In het dagelijks leven zien we ook gewonere dingen. Handtassen die evenveel kosten als een appartement aan zee, en zonnebrillen met de waarde van een kleine auto. Kostuums, truien, T-shirts, lange broeken, rokkostuums, shorts, horloges, armbanden, diadeems, … Nog nooit was de keuze zo groot. En nog nooit was de smaak zo ver zoek.

This was haute couture radio, broadcasting from who’d know where. Stay tuned, en doe me een lol. Gooi al die kleren op een hoopje, steek ze in brand, vind een bizonvel en ga in de Afrikaanse savanne op kikkers jagen. Want op bepaalde vlakken spreken de oude besjes in het rusthuis de waarheid. Vroeger was het allemaal beter.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Seks: wat is het, hoe doe je het en waar komt het vandaan?

Een onderzoeksdomein dat tot de al dan niet geperverteerde verbeelding van velen spreekt. Voor de mensen die zich al jaren het hoofd breken over de derde vraag, zij zullen hier vandaag mogelijk verlossing vinden. Mensen die geen antwoord weten op de eerste en de tweede vraag horen niet thuis op dit blog.

Door de eeuwen heen zijn er talloze antwoorden op deze vraag geformuleerd. Veelal waren die afkomstig van geniepige oude mannetjes die, bij gebrek aan moderne computertechnieken, proefondervindelijk moesten werken.
Afhankelijk van hun positionele voorkeur en het moment waarop ze hun laatste extatische adem uitbliezen was het afkomstig van de leeftijd, de hersens, de hormonen, hete ovenschotels of de duivel.
Natuurlijk is er de biologische verklaring. Voortplanting, verderzetten van de bloedlijnen, verspreiding van de eigen genen over de hele wereld. In ieder mens schuilt een veroveraar. Maar is dat het enige antwoord? Ik waag het om dit te betwijfelen en formuleer U een aantal andere mogelijkheden die verloren zijn geraakt in het stof der geschiedenis.

Mannen zijn jagers. Iedereen weet dat. Hoewel vroeger vangnetten en knuppels werden gebruikt (deodorant en scheermesjes waren toen onbestaande) en men tegenwoordig voor vleiende complimentjes kiest is de prooi hetzelfde gebleven. Tegenwoordig bestaat het wild echter uit zoveel verschillende groepen dat we voor het inzichtelijk gemak teruggrijpen naar de kindertijd van de jager, het moment waarop hij nog ongecompliceerd en relatief ongevaarlijk genoemd kan worden.
Kleine jongetjes hebben toekomstdromen. Vanaf het moment dat ze zelf kunnen denken willen ze vanalles worden. Maar over het algemeen vallen deze carrières op te delen in drie grote groepen.

Uno; sommige jongetjes willen priester worden, in de geestelijkheid gaan, kerkdiensten leiden, trappist brouwen en over honderd jaar naar de hemel. Dit is de eenvoudigste groep. Hun interesse voor vrouwen stopt rond de leeftijd van zeven jaar, dankzij hun Goddelijke roeping. Op het moment dat ze gerespecteerde priesters van vijftig zijn komt de midlifecrisis op gang, en als verdedigingsreflex van het lichaam schieten die seksuele mechanismes weer in gang. Vastgeroest als ze dan zijn, na drieënveertig jaar van onderdrukte lusten en gekwelde nachtmerries blijven ze op erotisch vlak gewoon hangen in die wereld van het eerste fietsje, de zwembandjes en de knuffelberen en richten ze hun pijlen op dezelfde groep.

Dan heb je de jongetjes die ridder willen worden. Dat is al een iets grotere gemeenschap. De machtige strijders op een groot paard met een lange steekstok en een helm: dat willen zij graag zijn. Maar na een tijdje komt het besef dat datgene wat van een ridder een échte held maakt, de drakenjacht is. En draken zijn uitgestorven. Jammer, maar helaas, dus de kinderdroom gaat de kast in en de kast gaat op slot.
En dan, jaren later, het jongetje is een man geworden en ziet de wereld met nieuwe ogen. En hij komt in een groot shoppingcenter en kijkt om zich heen, en ergens in de schimmige diepten van zijn achterhoofd gaat een halfvergaan slot rammelen, een deur schiet open, er ontsnapt iets uit de kast dat zich naar de voorgrond dringt… En de man beseft dat de draken toch niet zo uitgestorven waren als hij dacht. En hij gaat op jacht.

En tenslotte, last but not least, de meerderheid van de jongetjes droomt ervan om (a) zoals zijn vader te zijn, (b) zoals zijn moeder te zijn, (c) een leraar, brandweerman of agent te worden of (d) een vrouw te worden. Voor het goede verloop van het onderzoek houden we even geen rekening met optie (d). De rest van deze groep groeit op, leidt een normaal leven, gaat naar school en vindt een job. En gaat zich vervolgens settelen, beperkt zich (biologisch onaanvaardbaar) als een depressieve aap tot één boom en één wijfje. En leeft zijn leven.

U ziet, de wegen van de mens zijn ondoorgrondelijk, maar wie onder het oppervlak graaft vindt een verklaring van oorsprong voor vanalles en nog wat. Dit gezegd zijnde heb ik U nog maar één ding aan te bevelen, tenzij U tot de eerste groep behoort, waarbij ik U aanbeveel Uzelf in een middeleeuwse kerker vast te ketenen en de sleutel in de beerput te gooien. Doe het nu, voordat U gaat twijfelen.
Aan al de rest; ridders, vaders, politiemensen, leerkrachten en jonkmannen allerhande:
Gaat en vermenigvuldigt U.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Na regen komt zonneschijn

Inderdaad, dat mag U letterlijk nemen. Zelfs in de pispot van Europa weten mensen nog hoe de zon eruit ziet zonder daarvoor de computer aan te zetten. Wie vandaag geen dubieuze dingen deed in zijn geluiddichte kelder of bewusteloos in bed lag na een gezellig avondje uit heeft het vast gemerkt: de lente is in het land!

Na een strenge winter, van het soort waar oude mensjes graag over mogen opscheppen (“In mijnen tijd, menneke, …”) en waarin we bekogeld werden met alle geneugten van het seizoen mogen we nu terug genieten van een smurfblauwe lucht, hier en daar een schaapvormig wolkje en een stralende gele vuurbal up high.
Achter glas, weliswaar, want de temperaturen zijn nog niet helemaal mee.

België is, meteorologisch gezien, een interessant land om te vertoeven. Herfst en winter zijn de tijden waarin wij ons verheugen over het fenomeen van de centrale verwarming. De tijden waarin mensen en masse tegen de grond gaan; waarin we walken on water, just to be with you; waarin het kussen van de pauselijke ring chirurgische ingrepen veroorzaakt en waarin je je een veilig pad doorheen een lawine kan banen door er gewoon tegen te pissen.
Mensen die een appartement kochten aan de kust beseffen dat zee en strand in België niet te vergelijken valt met een hangmat in Honolulu en de Egyptenaren, Italianen, Grieken en andere immigranten vragen zich af waarom ze ook weer voor dit land gekozen hebben.

Natuurlijk duurt dit geen eeuwen, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, en zorgt de lente voor een welkome verfrissing van ons wereldbeeld. Weg met de grijze lucht; de vallende vlokjes; de wortelneuzigen en de winterslapers. Bloemetjes en bijtjes; koetjes en kalfjes; konijntjes en overbevolking: het seizoen van de liefde.
Jammer maar helaas, in deze uithoek van het Westen hebben we niet altijd even veel kansen om daarvan te genieten. Er zijn de maartse buien, de aprilse grillen en voor de studentjes onder ons de meise blokperiode en de junise examens, en dan is het alweer zomer.

Maar de zomer, die mag er dan ook vaak wel zijn. De herinneringen aan het dragen van meerdere truien, een wollen dekentje en een verwarmingstoestel op wielen zijn nog niet uit ons onderbewustzijn verdwenen of daar komen de schroeiende temperaturen, de milkshakes, drie liter water per dag en uitpuilende zwembaden. In dit land schijnen de weergoden nooit precies te weten hoe ze maat moeten houden; het is ofwel het ene uiterste ofwel het andere, en eventueel een mengeling van de twee.

Doodgezwegen tot op dit moment, maar Belgischer dan frieten, chocolade, ergerlijke politici en waterende stenen ventjes: regen! Net zoals voor een goed pak friet geldt; ze hebben het overal maar nergens zo goed als hier. In de tropen hebben ze de moesson voor een stukje van het jaar, wij hebben hem voor al de rest. Winter en zomer, dag en nacht; regenen kan het, zal het en blijft het.
Niet nodig te vermelden dat dit een positieve evolutie is in het licht van de opwarming van de aarde.

Eerst zullen de poolkappen smelten. Het zeeniveau stijgt, en tegelijkertijd verdampen al de kleine waterplasjes waarmee deze aardkloot bezaaid is. Gevolg: meer overstromingen, meer regen, minder drinkwater.
Door het heerlijke Belgische klimaat zal een groot deel van het drinkwater hier terechtkomen. Dit zal enorme hoeveelheden migranten aantrekken, wat goed is voor de economie.
Door de overstromingen zal er werkgelegenheid ontstaan: de nieuwe inwoners kunnen gaan hozen in Antwerpen (maar niet te fanatiek, gewoon om de schijn op te houden) en West-Vlaanderen in een waterreservoir veranderen, wat niet alleen milieu- maar ook taalvriendelijk is.
Het is nu wel duidelijk: dit land gaat dankzij zijn klimaat een mooie toekomst tegemoet. Of toch, bepaalde delen ervan.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized